Hoewel ik per 3 maart 1998 vanwege drukke werkzaamheden als secretaris van de tempel ben afgetreden, blijf ik mijn missiewerk met grote vastberadenheid voortzetten. Om mensen op een simpele wijze kennis te laten nemen met het Boeddhisme, heb ik gemeend een serie te moeten schrijven over de Boeddha zelf. In de serie Wie was de Boeddha?, zal ik een beeld schetsen wie deze grote Leraar in werkelijkheid was. Er zullen nog verscheidene artikeltjes uit deze serie volgen! Hopelijk kan ik er veel mensen mee motiveren.
Sabbadánam dhammadánam jináti;
sabbamrasam dhammarasó jináti;
sabbamratim dhammaratí jináti;
tanhakkhayó sabbadukkham jináti. De gave van de dhamma overtreft
alle gaven;
de smaak van de dhamma overtreft alle smaken;
de vreugde van de dhamma overtreft alle vreugden;
het uitroeien van begeerte overwint alle lijden. Dhp
354
Een korte samenvatting van de beginperiode
Iemand die een leraar volgt, dient in de eerste plaats wat over
die leraar te weten. In dit hoofdstuk zullen we eens wat nader kennis maken
met een man die 2500 jaar geleden werd geboren; een man die slechts een
bedelnap en een paar gewaden bezat en tóch het gelukkigste wezen
was dat hier op aarde rondliep.
Aan de voet van het Himalaya gebergte, juist over de grens van India in het huidige Nepal, werd tijdens de volle maan in de maand Mei (Vesákha) van het jaar 623 v.Chr., een edele prins geboren in het Park van Lumbini nabij Kapilavatthu. Hij was voorbestemd eens de meest verheven religieuze leider in de wereld te zijn. De stam waarin hij werd geboren was die van de Sákyas, een heldhaftige krijgersstam. Zijn naam was Siddhatta (Sanskriet: Siddharta), hetgeen betekent: wens vervuld. Deze naam werd hem gegeven omdat de raadsman van de koning, Asita (ook bekend als Káladevala), voorspelde dat het koningskind een Boeddha zou worden. De vader van de prins heette Suddhodana; hij was de koning van de Sákya’s. Koning Suddhodana had twee vrouwen: koningin Mahá Máya en haar zuster Mahá Pajápati. Hun familienaam was Gótama. Zeven dagen na de geboorte van Siddhatta stierf zijn moeder Mahá Máya; haar zuster Mahá Pajápati had haar beloofd Siddhatta verder op te voeden. De jonge prins genoot de beste scholing die er maar was en overtrof al snel zijn leraren in wijsheid. Ook in de vechtkunst was hij heer en meester. Op 16 jarige leeftijd trouwde hij met zijn nicht, Yasódhará, de dochter van Suppabuddha, de broer van Mahá Máya. Uit het huwelijk van Siddhatta en Yasódhará kwam een zoon voort: Ráhula. De prins groeide op binnen de muren van het koninklijke paleis waar alles dat de tekenen van verval vertoonde, opgeschoond werd om de lelijke kant van het leven te verbergen. Zijn vader wilde voorkomen dat hij de wereld zou verzaken wanneer hij de vergankelijke natuur der dingen aanschouwde. Maar de drang om de ware aard van dingen te onderzoeken bleef de jonge prins prikkelen, en op een dag trok hij er met zijn wagenmenner Channa en zijn paard Kanthaka erop uit om een rondje door de stad te maken. Daar maakte hij kennis met de harde, naakte waarheid.
Hij zag vervolgens een oude, een zieke en een dode man (de drie hemelse boodschappers). Hij vroeg aan zijn wagenmenner of dat de enige wezens in de wereld waren die dit lot treffen, waarop Channa ontkennend antwoordde. Ook al is iemand rijk of arm, lelijk of mooi, wijs of onwetend – het idee dat dit vreselijke lot alle voelende wezens treft, deed Siddhatta door merg en been sidderen. Hij voelde een intens mededogen voor alle voelende wezens en uiteindelijk besluit hij met een vastberaden wil, een medicijn te zoeken dat voorgoed een eind kan maken aan deze gruwelijke toestanden waar alle wezens aan onderworpen zijn.
Op 29 jarige leeftijd verliet de prins de wereld. Alles wat hij had gaf hij uit mededogen voor de ganse wereld op. Zelfs zijn vrouw en enige kind die hem zeer geliefd waren, liet hij achter – een hartverscheurend afscheid dat hem diep raakte. Maar hij beloofde in zijn hart terug te keren wanneer hij zijn zoektocht volbracht had en het medicijn tegen lijden gevonden had. Zijn zoektocht eindigde 6 jaren later onder de Bodhi-Boom, de ‘Boom der Verlichting’ te Uruvelá (nu Bodh Gaya).
Vóór zijn verzaking leidde hij het leven van een prins en genoot hij alle luxe terwijl lijden een feit bleef; zes lange jaren van strenge zelfkastijding konden hem evenmin verlossen van het universele symptoom dat iedere vorm van bestaan doordringt – lijden. Na deze twee uitersten persoonlijk ondervonden te hebben, ontdekte hij de middenweg (het Edele Achtvoudige Pad) die uitersten vermijdt. In zijn verheven verlichting ontdekt hij de Vier Edele Waarheden, namelijk: 1. lijden, 2. de oorzaak van lijden, 3. de opheffing van lijden, en 4. het pad dat leidt naar de opheffing van lijden (het Edele Achtvoudige Pad). Omdat hij geen leraar heeft gehad die hem naar dit doel had gebracht, werd Siddhatta de Samboeddha – de Volledig Verlichte.
Een jaar na zijn verlichting keerde hij, nu een Boeddha, terug naar Kapilavatthu waar hij zijn jeugd had doorgebracht. Toen zijn zoon Ráhula, nu 7 jaar, vlak bij hem stond, zei deze: “Zelfs uw schaduw is heerlijk!” Ráhula trad direct toe tot de Sangha (gemeenschap van monniken en nonnen) en later volgde ook zijn voormalige vrouw Yasódhará. Beiden verwierven later de verlichting (Arahatschap).
De Boeddha verzaakte op zijn negenentwintigste jaar de wereld, op zijn vijfendertigste jaar verwierf hij de Verheven Verlichting, en hij predikte de Dhamma tot aan zijn dood op zijn tachtigste jaar. Omringd door zijn liefdevolle vriendelijkheid, mededogen en wijsheid, liep deze prachtige mens zo’n 2500 jaar geleden over de stoffige wegen van noordoost India en zette zich onvermoeibaar en onvoorwaardelijk in voor het geluk en het welzijn van alle voelende wezens.
Deze vier zijn de belangrijkste gebeurtenissen voor iedere Boeddhist. De genoemde plaatsen zijn de meest belangrijkste bedevaartplaatsen.
Boeddha, een open Leraar
De Boeddha stond afkeurend tegenover hen, die verklaarden dat zij geheime
leren hadden, met de woorden: “Geheimzinnigheid is het kenmerk van verkeerde
leerstellingen.” Toen hij de Eerwaarde Ánanda aansprak, zijn persoonlijke
hulp-monnik, zei hij: “Ik heb de Dhamma onderwezen, Ánanda, zonder
onderscheid te maken tussen niet-ingewijden en ingewijden, want uit respect
voor de waarheid, Ánanda, heeft de Boeddha niet zoiets als een gesloten
vuist van een leraar, die enige essentiële kennis voor zijn leerling
achterhoudt.”
Hij verklaarde de Dhamma vrijelijk en gelijk aan iedereen. Hij hield niets terug, en wilde nooit van zijn leerlingen een blindelings en onderdanig geloof in hem en zijn leer, afdwingen. Hij stond erop dat z’n leerlingen een scherpzinnig onderzoek instelden en intelligente navraag deden. Hij was een heel open leraar. In een duidelijke bewoording moedigde hij kritisch onderzoek aan toen hij de vragende Kalama’s aansprak in een toespraak die terecht ‘De Boeddha verleent het voorrecht tot vrij onderzoek’ heet. Hier een citaat uit de Kalama Sutta:
“Kom, Káláma’s. Vertrouw niet op datgene dat verworven is door het herhaaldelijk te horen; noch op traditie; noch op geruchten; noch op datgene dat in de geschriften staat; noch op vermoedens; noch op een onbewezen aanname; noch op een goed klinkende redenering; noch op een vooroordeel ten opzichte van een weloverwogen denkbeeld; noch op andermans schijnbare bekwaamheid; noch op de overweging: ‘De monnik is onze leraar.
’ Káláma’s, als jullie voor jezelf weten: ‘Deze dingen zijn slecht; deze dingen zijn afkeurenswaardig; deze dingen worden bekritiseerd door de wijzen; eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot nadeel en ziekte’, zie daar dan van af.”
“Kom, Káláma’s. Vertrouw niet op datgene (...) etc.
Káláma’s, als jullie voor jezelf weten: ‘Deze dingen zijn goed; deze dingen zijn niet afkeurenswaardig; deze dingen worden niet bekritiseerd door de wijzen; eenmaal opgevat en nageleefd, leiden deze dingen tot voordeel en geluk’, pak ze dan op en houd ze in stand.”
Om alles in blindelings vertrouwen aan te nemen, is niet de spirit van Boeddhisme. Zo treffen we deze dialoog tussen de Boeddha en zijn discipelen:
“Als jullie nu dit weten en hier bij blijven, zouden jullie dan zeggen: ‘Wij eren onze Meester en uit respect voor hem respecteren wij datgene wat hij onderwijst?’”
“Nee, Eerwaarde.”
“Dat wat jullie bekrachtigen, O discipelen, is dat iets dat jullie door jezelf hebben herkend, gezien en begrepen?”
“Ja, Eerwaarde.”
En in overeenstemming met deze door en door correcte houding van waar onderzoek, wordt gezegd in een Boeddhistische verhandeling: “Zoals een goudsmid goud test door het te branden, door erin te snijden en ermee te schuren (op een toetssteen), zo zul jij ook mijn woorden accepteren na hen te hebben onderzocht, maar niet louter uit respect voor mij.”
Boeddhisme is vrij van dwangmatigheid en bekeringsdrang en eist van de volger niet een blind geloof. Vanaf het allereerste begin zal de scepticus aangenaam getroffen worden door haar roep tot een diepgaand onderzoek. Boeddhisme is, van het begin tot het einde, open voor iedereen die ogen heeft om te zien en een geest om te begrijpen.
Tot de volgende keer! Ánanda.