De leer van geduld
Játaka 313
Hoe een wrede koning het geduld van de Bodhisatta op de proef stelde
Toen de Meester in het Jétavana verbleef, vertelde hij dit verhaal met betrekking tot een monnik die een boosaardige aard had. De Meester stelde de monnik een vraag met de woorden: “Waarom vertoon je, na het ontvangen van instructies in de religie van de Boeddha die geen boosaardigheid kent, nog steeds boosaardigheid? Wijze mannen in lang vervlogen tijden, ofschoon zij leden onder duizend strepen (van een zweep), en wanneer hun handen en voeten, hun oren en neus waren afgehouwen, vertoonden zij geen boosaardigheid tot een ander.” En toen vertelde hij een verhaal uit de oude tijd.

Er was eens een koning van Kási en hij regeerde te Varanasi. Zijn naam was Kalábu. In die tijd werd de Bodhisatta geboren in een brahmaanse familie – die begiftigd was met grote rijkdommen – in de vorm van een jongeman, genaamd Kundakakumára. En toen hij op leeftijd was gekomen, verwierf hij de kennis van alle wetenschappen te Takkasilá. Daarna vestigde hij zich als een huishouder.
Toen hij bij de dood van zijn ouders naar zijn stapel schatten keek, dacht hij: “Mijn verwanten die deze schat vergaard hebben, zijn allemaal heengegaan zonder dit met hen mee te nemen; nu is het aan mij om het te bezitten en om straks heen te gaan.” Toen zocht hij met zorg wat mensen uit, die het door deugdzaamheid vanwege hun aalmoezengiften verdienden en gaf hij al zijn weelde aan hen weg. Daarna ging hij het Himalaya gebergte in en begon het leven van een monnik. Hij verbleef er een lange tijd en leefde van wilde vruchten. Toen hij afdaalde naar de bewoonde delen voor het aanschaffen van zout en azijn, kwam hij na fases aan in Varanasi waar hij verbleef in het koninklijke park. De volgende dag ging hij naar de stad voor zijn bedelronde, totdat hij bij de deur aankwam van de hoofdcommandant. En omdat hij blij was met de gepaste houding van de monnik, nodigde hij hem uit in zijn huis en voedde hem met het voedsel dat voor hemzelf bereid was. Nadat hij zijn toestemming had gekregen, wees hij hem een verblijf aan in het koninklijke park.
Op een dag toen koning Kalábu bedwelmd was door sterke drank, kwam hij in het park in groot ornaat, omringd door een gezelschap van danseressen. Hij liet een bank uitspreiden op de koninklijke zetel van steen, en ging met zijn hoofd op de schoot van een van de geliefde van zijn harem liggen, terwijl de Indische danseressen die vakbekwaam waren in vocale en instrumentale muziek en in dansen, een muzikaal vermaak vertoonden. Zo groot was zijn ijdelheid, net zoals die van Sakka, de Heer van de hemel. En de koning viel in slaap.
Toen zei de vrouw: “Hij voor wie wij muziek maken, is in slaap gevallen. Wat heeft het voor zin voor ons dat wij zingen!” En zij wierpen hun luiten en andere muziekinstrumenten aan de kant, her en der, en vertrokken naar het park waar zij verleid werden door de bloemen en fruitdragende heesters, en al gauw vermaakten zij zichzelf.
Op dit moment zat de Bodhisatta in het park, net zoals een koninklijke olifant in de trots van zijn figuur en aan de voet van een bloeiende sal boom, genietende de zegening van de terugtrekking van de wereld. Toen deze vrouwen langs wandelden, kwamen ze naar hem toe en zeiden: “Kom hierheen, dames, en laat ons gaan zitten en naar de priester luisteren die aan de voet van deze boom rust, totdat de koning wakker wordt.” Ze gingen naar hem toe en groetten hem en toen zij in een cirkel om hem heen zaten, zeiden ze: “Vertel ons iets wat het horen waard is.” En zo gebeurde het dat de Bodhisatta hen de leer predikte.
Ondertussen wekte de koninklijke geliefde met de beweging van haar lichaam, de koning. En toen de koning wakker werd en hij de vrouwen niet meer zag, vroeg hij: “Waar zijn die ellendelingen gebleven?” – “Uwe Hoogheid,” zei de vrouw, “zij zijn weggegaan en nu zitten zij in de aanwezigheid van een zekere monnik.” En in woede trok de koning zijn zwaard en vertrok in grote haast met de woorden: “Ik zal deze bedrieglijke monnik eens een lesje leren!” En toen de vrouwen die het meest vriendelijk waren de koning in zijn woede zagen aankomen, liepen zij op hem af en trokken het zwaard uit de hand van de koning en brachten hem enigszins tot bedaren. Hij liep op de Bodhisatta af, ging naast hem staan en hij vroeg hem: “Welke leer verkondig jij, monnik?”
“De leer van geduld, Uwe Majesteit”, antwoordde hij.
“Wat is dit geduld?”, zei de koning.
“Het is het niet boos worden wanneer mensen je misbruiken, wanneer ze je slaan en wanneer ze je uitschelden.”
De koning zei: “Ik zal nu de realiteit van je geduld eens testen”, en hij liet zijn beul roepen. En op weg naar zijn werkplek nam de beul een bijl en een zweep met doornen en kleedde zich in een geel gewaad en droeg een rode vaandel, kwam bij de koning, begroette hem en zei: “Wat is uw plezier, heer?”
“Pak deze walgelijke schurk van een monnik op en sleep hem weg!”, zei de koning. “Sla hem op de grond met je zweep van doornen, ransel hem van voren, van achteren en aan beide zijden af, en bezorg hem tweeduizend striemen!” En dit werd uitgevoerd. En de huid van de Bodhisatta werd aan de oppervlakte en in de diepte doorgereten tot aan het vlees; het bloed stroomde. De koning vroeg wederom: “Welke leer verkondig jij, monnik?”
“De leer van geduld, Uwe Majesteit”, antwoordde hij. “Uw verbeeldingskracht zegt u, dat mijn geduld slechts de diepte van mijn huid kent. Maar het kent niet slechts de diepte van mijn huid, maar mijn geduld is diep in mijn hart gevestigd, heer, waar het niet door u gezien kan worden.” En weer vroeg de beul: “Wat is uw plezier, heer?” En de koning zei: “Hak beide handen af van deze valse monnik!” En hij nam zijn bijl, plaatste het slachtoffer binnen de fatale cirkel en hakte zijn beide handen af. Toen zei de koning: “Hak zijn beide voeten er af!” En allebei zijn voeten werden afgehouwen. Het bloed stroomde van de uiteinden van zijn handen en voeten zoals sap uit een lekkende kruik. En wederom vroeg de koning welke leer hij verkondigde.
“De leer van geduld, Uwe Majesteit”, antwoordde hij. “U verbeeldt zich, heer, dat mijn geduld slechts in de uiteinden van mijn handen en voeten verblijft. Het is niet daar, maar het is heel diep ergens anders gezeteld.”
“Snij zijn neus en oren eraf!”, riep de koning. En de beul voerde de opdracht uit. Zijn hele lichaam was nu overdekt met bloed. En weer vroeg de koning naar zijn leer. En de monnik zei: “Denk niet dat mijn geduld gevestigd is in het puntje van mijn neus of van mijn oren: mijn geduld is diep in mijn hart verankerd.” Toen zei de koning: “Ga liggen, valse monnik, en verhoog dan je geduld!” Met deze woorden trapte hij de Bodhisatta met zijn voet boven zijn hart, en ging er toen vandoor.
Toen hij weg was, veegde de hoofdcommandant het bloed van het lichaam van de Bodhisatta af en deed verband om de uiteinden van zijn handen, voeten, oren en neus. Nadat hij hem vriendelijk op een zetel had gezet, groette hij hem terwijl hij aan een zijde zat, en zei: “Als u, Eerwaarde Heer, boos zou zijn op degene die tegen u gezondigd heeft, ben dan boos op de koning, maar niet op iemand anders.” En toen hij dit verzoek indiende, herhaalde hij dit vers:
“Wiens neus en oren afgesneden zijn,
en voeten en handen afgehouwen,
ben dan boos op hém, heldhaftige ziel,
maar spaar – zo smeken wij U – dit land.”
Toen de Bodhisatta dit hoorde, uitte hij dit vers:
“Lang leve de koning,
wiens wrede hand mijn lichaam zo heeft verminkt.
Zuivere wezens zoals ik,
kijken nooit met boosaardigheid op zulke daden neer.”
En juist toen de koning het park verliet, en op hetzelfde moment dat hij buiten het bereik van het zichtveld van de Bodhisatta was gekomen, spleet de machtige aarde, die tweehonderd en veertigduizend maten in doorsnee is, in tweeën, zoals een sterk krachtig stuk gewaad, en een vlam schoot voort vanuit de Avíci hel en greep de koning, rolde hem op alsof het een koninklijk gewaad van helderrode wol was. Aldus zonk de koning in de aarde, juist bij de poort van het park en werd stevig verankerd in de grote Avíci hel. De Bodhisatta stierf op dezelfde dag. De bedienden van de koning en de burgers kwamen met geurwerken en kransen en wierook in hun handen en verzorgden de begrafenis van de Bodhisatta. En sommige van hen zeiden dat de Bodhisatta regelrecht naar de Himalaya was teruggekeerd, maar hiermee zeiden zij iets dat niet zo was.
Een heilige van ouds, zoals men heeft verteld,
vertoonde grote moed.
Die heilige, die zo sterk was in het verkeerde te verdragen,
heeft de koning van Kási verslagen.
Helaas! Het berouw van de schuld van ijdelheid
zal de koning moeten betalen,
wanneer hij gedoemd is in de laagste hel.
Deze dag zal hij lang betreuren.
Deze twee verzen werden geïnspireerd door Perfecte Wijsheid.
Toen de Meester zijn les had beëindigd, openbaarde hij de Edele Waarheden en identificeerde hij de geboorte. Aan het slot van de Edele Waarheden verwierf de boosaardige monnik de vruchten van de Eenmaal Terugkerende, terwijl vele anderen de vruchten verwierven van de In de Stroom Getredene. En de Boeddha zei: “In die tijd was Devadatta koning Kalábu, de koning van Kási. Sáriputta was de hoofdcommandant en ikzelf was de monnik, de Prediker van Geduld.”